Interview Vincent Gruis
December 2011

1. Wat is het onderwerp van je intreerede, waar ga je het over hebben?
De titel is ‘De Werkbare Woonmaatschappij’, het gaat over de manier waarop we met de bestaande woonvoorraad om moeten gaan, in tijden die aan het veranderen zijn. We hebben nu minder middelen tot onze beschikking. Dat geldt ook voor veel van de organisaties die bezig zijn met de ontwikkeling. Als je door wilt gaan met het leefbaar houden van wijken en woningen, betekent dat hier creatiever mee moet worden omgegaan. Dat betekent slimmer werker met kleinschaligere projecten dan vroeger. Wijken platgooien om nieuwe wijken te bouwen, is nu niet meer aan de orde. Toch moet ervoor gezorgd worden dat mensen het naar hun zin hebben in hun woning. Om dit goed te kunnen doen heb je ook organisaties nodig die daar aan werken. Voor woningcorporaties, die zich ook wel woonmaatschappijen noemen, brengt dit de uitdaging met zich mee om de kwaliteit van de woningvoorraad op peil te houden en bij te dragen aan leefbare wijken. En een wijk is in feite ook een kleine woonmaatschappij.
2. Welke boodschap wil je overbrengen met je intreerede?
Die boodschap is al meegeven in de eerste vraag. Onderliggende boodschap is dat het veel vraagt van de organisaties die met die wijken bezig zijn en zeker voor woningcorporaties. Dat ze enerzijds nog meer gaan samenwerken met allerlei partijen, wat ze al doen, maar anderzijds nog ondernemender moeten worden. Minder geld betekent dat ze zakelijker na moeten denken, op welke manier bereik je de doelen op de beste manier. Enerzijds zou je kunnen zeggen dat ze nog socialer moeten worden, nog meer verbinding zoeken, en anderzijds nog ondernemender moeten worden. Corporaties moeten zich goed afvragen waar het geld naar toe gaat, zodat ze zeker weten dat het zich ook weer terug verdient.
Omdat je kleinschaliger inzet, betekent dat er veel meer op projectbasis wordt gewerkt. En ondanks dat je kleinschalig bezig bent vergt dit veel meer aandacht dan nu het geval is. En in zekere zin ook minder langs de lijnen van praten over masterplannen en veel meer langs de lijnen van concreet werken aan projecten.
3. Hoe zie jij de komende 5 jaar je hoogleraarschap ingevuld?
Veel in het verlengde van hoe we al bezig zijn. We hebben een onderzoekslijn lopen naar maatschappelijk ondernemerschap en voorraadbeleid van woningcorporaties en daarin zie je dat het maatschappelijk ondernemingsschap zich op een ander manier blijft doorontwikkelen. Dat betekent dat we ook daar proberen een vervolg op te gaan zetten. Het huidige programma loopt in 2012 af. We gaan dan kijken om met een aantal woningcorporaties weer een onderzoeksprogramma te kunnen opbouwen, waar de corporaties zelf ook echt iets aan hebben en dat ook het vak verder helpt. We gaan het dan anders inrichten, ook voor universiteiten en hoogleraren geldt dat ze meer dan vroeger in samenwerking moeten gaan doen en ook dat het rendement van het onderzoek moet worden vergroot voor de partijen die moeten financieren. Ook wij moeten maatschappelijker en ondernemender aan de gang. Dat betekent dat we een vervolg op het onderzoeksprogramma moeten gaan zoeken met collega-hoogleraren. Projecten welke voor al onze leerstoelen van belang zijn, waar we een goed programma van kunnen maken en financiering voor kunnen aantrekken. Zodat wij met minder middelen toch kunnen blijven doorgaan met onderzoek.
Om het rendement voor de partijen in de praktijk te vergroten zullen de onderzoekers veel meer van het bureau hier af moeten en achter het bureau bij de partijen in het veld gaan zitten (action research). Hierdoor kunnen ze een tijdje meewerken aan een probleem bij de partij, waar wij ook onze onderzoeksinformatie uit halen, en ook tegelijkertijd een directe bijdrage leveren aan de praktijk.
4. Wat zijn je doelen in het onderwijs tijdens je hoogleraarschap?
Studenten te blijven trekken naar de procesmatige kant van Bouwkunde. Daar moeten we met ons allen hard voor maken en ook binnen Real Estate & Housing nog meer voor gaan samenwerken. We hebben nu al een flinke slag gemaakt om het eerste jaar helemaal samen te voegen. Straks moeten we ook bij het afstuderen meer door de labs heen gaan samenwerken. Meer rondom gezamenlijke onderzoeksthema’s en actuele thema’s afstudeergroepen vormen waar relevante kennis wordt geproduceerd.
Masterstudenten van Architecture, Building Technology, Real Estate & Housing en Urbanism moeten elkaar meer ontmoeten. Nu zitten ze allemaal in hun eigen deelopleiding en daardoor hebben de studenten onder meer vooroordelen over elkaar. Dat is eigenlijk zonde, want als je in de praktijk komt dan weet je dat je alle invalshoeken nodig hebt. We zouden dat kunnen proberen weg te halen door aan het einde van het eerste masterjaar teams met studenten uit alle richtingen te laten samenwerken, bijvoorbeeld in een intensief project van een week. Hierdoor worden ze partners.
5. Wat doe je verder; buiten je hoogleraarschap?
Een deel van mijn werk wordt op dit moment ook ingevuld door het lectoraat Vernieuwend Vastgoedbeheer aan de Hogeschool Utrecht. Waar ik me in Delft met name richt op de aanbieders op de woningmarkt, woningcorporaties en woningontwikkelaars, richt ik mij in Utrecht op de verbinding tussen de eigenaren en mensen die echt het bouwen en verbouwen doen, ketenpartners, aannemers en vastgoed onderhoudsbedrijven. Ook daar is een hele wereld te winnen in de samenwerking tussen die bedrijven. Zeker nu ze met schaarsere middelen toch de woningen goed moeten blijven beheren.
Daarnaast ben ik lid van de raad van commissarissen van twee woningcorporaties. Dat is een mooie manier om mijn kennis van Delft in de praktijk te brengen. En omdat ik zo zie met wat voor actuele problemen zij te maken hebben blijf ik ook met mijn voeten op aarde staan.

